Bereken je BMI

Vul je gewicht en lengte in voor een directe berekening. De BMI-formule is eenvoudig: gewicht (kg) gedeeld door lengte in het kwadraat (m²). Lees hieronder wat je score betekent — en wanneer je beter op andere maatstaven let.

Wat is BMI en wat zegt het wel (en niet)?

BMI staat voor Body Mass Index — een getal dat je gewicht in verhouding plaatst tot je lengte. Het wordt berekend door je gewicht in kilogram te delen door je lengte in meter in het kwadraat: BMI = kg ÷ m². De maatstaf werd in de 19e eeuw ontwikkeld als statistisch instrument voor populatiestudies — niet als individuele gezondheidsscore. Toch wordt het vandaag nog altijd breed gebruikt door artsen en gezondheidsorganisaties als snelle screening. BMI is handig als eerste indicatie, maar heeft ernstige beperkingen die je moet kennen voordat je er conclusies uit trekt.

BMI categorieën volgens de WHO

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hanteert de volgende grenzen voor volwassenen — ongeacht leeftijd of geslacht.

Onder 18,5Ondergewicht — mogelijke voedingstekorten of onderliggende aandoeningen
18,5 – 24,9Normaal gewicht — laagste risico op gewichtsgerelateerde aandoeningen
25 – 29,9Overgewicht — verhoogd risico, afhankelijk van vetverdeling
30 of hogerObesitas — significant verhoogd risico op hart- en vaatziekten, diabetes type 2

Wanneer klopt BMI niet?

BMI maakt geen onderscheid tussen spier en vet. Spier weegt meer per volume dan vet. Een gespierde atleet kan een BMI van 27-30 hebben en toch een laag vetpercentage hebben. Omgekeerd kan iemand met een "normale" BMI van 23 een hoog vetpercentage hebben als ze weinig spiermassa hebben — dit heet "skinny fat" en is evenzeer een gezondheidsrisico.

SeniorenBij ouderen is een iets hogere BMI (23-27) geassocieerd met minder sterfte
AtletenVeel topsporters hebben een "overgewicht" BMI door spiermassa
VrouwenVrouwen hebben van nature een hoger vetpercentage bij dezelfde BMI als mannen
Aziatische populatiesHogere gezondheidsrisico's al bij BMI 23-24 (andere grenzen gelden)

Betere maatstaven dan BMI

Voor iedereen die actief traint of een realistischer beeld van zijn lichaamssamenstelling wil, zijn er nauwkeurigere alternatieven. BMI blijft handig als snelle populatiescreening, maar voor individuele gezondheidsbeslissingen zijn de volgende maatstaven waardevoller.

Tailleomtrek — eenvoudig en voorspellend

De tailleomtrek meet visceraal vet — het buikvet rondom je organen dat het sterkst gelinkt is aan hart- en vaatziekten, diabetes en metabole problemen. Meet op het smalste punt van je taille (tussen ribben en heup), ontspannen, na uitademen.

Mannen: laag risicoOnder 94 cm
Mannen: verhoogd risico94-102 cm
Mannen: hoog risicoBoven 102 cm
Vrouwen: laag risicoOnder 80 cm
Vrouwen: verhoogd risico80-88 cm
Vrouwen: hoog risicoBoven 88 cm

Lichaamsvetpercentage — de gouden standaard

Je lichaamsvetpercentage geeft aan welk deel van je gewicht uit vet bestaat versus spier, bot en organen. Voor sporters en mensen die actief trainen, is dit de meest relevante maatstaf. Normale waarden voor gezonde volwassenen: mannen 10-20%, vrouwen 18-28%. Meting via DEXA-scan (meest nauwkeurig), bioelectrische impedantie (minder nauwkeurig) of huidplooimetingen.

Gebruik je BMI-score als aanleiding om dieper te kijken — niet als eindoordeel. Een "normale" BMI met hoge tailleomtrek is een groter gezondheidsrisico dan een iets te hoge BMI met veel spiermassa en een smalle taille.

Ondersteuning bij gewichtsbeheer

Supplementen spelen een aanvullende rol bij een gezond gewicht. Ze zijn geen vervanging voor een goed voedingspatroon en regelmatige beweging. Hieronder de meest bewezen opties voor gewichtsbeheer.

BMI is een getal uit de 19e eeuw dat nooit bedoeld was als individuele gezondheidsscore. Het is nuttig als snelle screening, maar zegt weinig over je werkelijke gezondheid als je actief traint of veel spiermassa hebt. Laat je niet ontmoedigen door een getal — focus op tailleomtrek, energieniveau, slaapkwaliteit en prestatieverbeteringen als betere indicatoren van vooruitgang.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is een BMI tussen 18,5 en 24,9 normaal gewicht voor volwassenen. Onder 18,5 is ondergewicht, 25-29,9 is overgewicht en 30 of hoger is obesitas. Deze grenzen gelden voor de gemiddelde volwassene, maar zijn minder betrouwbaar voor sporters, senioren en bepaalde etnische groepen. BMI berekent gewicht gedeeld door lengte in het kwadraat — zonder onderscheid te maken tussen vet en spier. Spier is zwaarder dan vet per volume. Een gespierde atleet kan een BMI van 27-30 hebben met een laag vetpercentage. Voor sporters zijn lichaamsvetpercentage en tailleomtrek betere maatstaven. BMI = gewicht (kg) ÷ (lengte (m) × lengte (m)). Voorbeeld: 80 kg en 1,80 m → 80 ÷ (1,80 × 1,80) = 80 ÷ 3,24 = 24,7. Dit valt binnen het "normaal gewicht" bereik. Onze calculator doet dit automatisch na het invullen van je gewicht en lengte. BMI houdt geen rekening met spiermassa, botdichtheid, vetverdeling (visceraal vs. onderhuidse vet), leeftijd of geslacht. Het wordt ook bekritiseerd voor zijn gebruik van Europese bevolkingsdata als universele norm, terwijl Aziatische populaties al bij lagere BMI-waarden hogere gezondheidsrisico's lopen. Tailleomtrek is eenvoudig en sterk gecorreleerd met gezondheidsrisico's: meer dan 94 cm voor mannen of 80 cm voor vrouwen wijst op verhoogd risico. Lichaamsvetpercentage is de meest nauwkeurige maatstaf. DEXA-scans geven de meest gedetailleerde lichaamssamenstelling, maar zijn duur. Bioelectrische impedantieweegschalen zijn een goede thuisoptie. Niet noodzakelijk. Een BMI van 30 of hoger verhoogt statistisch gezien het risico op hart- en vaatziekten en diabetes, maar individuele factoren zoals conditieniveau, vetverdeling, bloedwaarden en levensstijl spelen ook mee. Iemand met een BMI van 30 die regelmatig sport, gezond eet en goede bloedwaarden heeft, heeft een lager werkelijk risico dan iemand met een BMI van 27 die sedentair (met weinig beweging) leeft.